Onbedoeld, maar toch een ‘Hegeschuβ’.
Gepubliceerd: , in Jachtverhalen
Voor wat de Duitsers een ‘Hegeschuβ’ noemen, hebben wij geen passend woord, althans voor zover mijn kennis van de Jagerstaal reikt. Daarom hebben Nederlandssprekende jagers ook in hun verhalen over een “Hegeschuβ”.
‘Hegen’ betekent zoveel als met passende maatregelen het wild verzorgen en beschermen. Daaronder is het afschot (Hegeabschuβ) inbegrepen, van wild dat daardoor ernstig leed verder wordt bespaard.
Het gaat daar zelfs vóór de regelgeving die mogelijk het afschot (op dat moment of op de soort) verbiedt. Het welzijn van het wild gaat voor, maar je moet het (achteraf) wel kunnen uitleggen. Regelgeving is dus leidend, maar gezond verstand prevaleert.
Hoe anders is dat in Nederland, waar je eerst moet zorgen dat je toestemming krijgt om dat te doen wat weidelijkheid van je vraagt. Maar waar de Meldkamer je als je bij een van pijn creperend ree staat, dat er dus om vraagt het tijdelijke met het eeuwige te verruilen, op je vraag: “mag ik ingrijpen”, na intern beraad laat weten dat ze de Dierenambulance zullen sturen…
Mij staat de hoog drachtige reegeit die ik schoot nog helder voor de geest. Want het was niet alleen hoogdrachtig, het was ook nog eens midden in de tijd dat reewild hun kalveren zetten . Ik meldde het bij de instanties en slechts complimenten waren mijn deel. Daarmee was voor hen de kous af. Het is daar dus regelgeving op basis van vertrouwen, pas die regelgeving toe of leg je actie uit.

Maar ook het afschot van een keiler, aan het eind van de winter, was een gevalletje ‘Hegeschuβ”, maar dan onbedoeld.
Ik zat op de Ginsterkopf, een kansel die zo hoog is, dat je, over de afzink op het veld voor mij heen, het dalletje daaronder in kan kijken.
Het is het eind januari, in het vossenweekend dat door de Hegering, de Duitse WBE, wordt georganiseerd. Alle Revieren doen eraan mee. Jammer genoeg zijn de verwachtingen over het resultaat niet zo goed. De laatste dagen is het mooie pak sneeuw dat er lag, al behoorlijk weg gedooid. En de ervaring leert dat een pak sneeuw bijna een voorwaarde is voor een mooi groot tableau.
Een paar jaar geleden lag er in zo’n weekend al wekenlang een dik pak sneeuw. En toen was het tableau meer dan ‘de moeite waard’.

Hegering Vossenweekend
Omdat de afnemende maan steeds later opkomt, ben ik pas omstreeks 02.00 uur op die Ginsterkanzel geklommen. Ik verveel mij niet. Dassen schuifelen langs, een solitaire volwassen zeug -duidelijk aangezogen- trekt bijna onder mijn kansel door. De wilde kat maakt gebruik van de op enkele plaatsen al verdwenen sneeuw en zit met engelengeduld te muizen. In totaal zeven reeën, solitair en in een familiesprongetje maken van dezelfde sneeuwvrije plekken gebruik om te foerageren.
Maar vossen zie ik niet. Mijn maten hebben al twee keer laten weten inmiddels een vos geschoten te hebben. Dat is mooi, want dan gaan we later in de ochtend niet met lege handen naar het ‘Strecke legen’.
Het is bijna 07.45 uur en het schemert al aardig. Ik ben koud geworden en besluit ermee op te houden. Ik kan dan voor dat we naar de ‘Strecke’ gaan nog even ontbijten en een beetje opwarmen.
Maar opeens ben ik alle kou vergeten. Ik zie onder mij in het dalletje een groot varken lopen. Ik denk dat het een keiler is, geen kleine jongen, maar tot een schot kom ik niet want hij is alweer uit mijn zicht verdwenen door de bosschages daar.
De laatste dagen heb ik in die hoek, in de dichte dekking een hoge tunnel gezien in de meidoorn, zo hoog dat de varkens die daar gebruik van maken ‘grote jongens’ moeten zijn. Vanaf mijn kansel kan ik nog net de ingang van die tunnel zien. Stel je nou eens voor dat de keiler daar naartoe op weg is? De kans is klein, maar stel. En als dat zou gebeuren heb ik maar verdraaid weinig tijd om te schieten. De afstand tussen de bosschages en de meidoorns daar is niet groot.
Ik besluit om mijn buks uit te steken. Een zandzak in de raamopening en de buks erop. Mijn ene arm leunt op het vensterbankje en de andere leunt stevig tegen de zijwand. Aan mijn stabiliteit zal het niet liggen. Nou het varken nog…
Over mijn buks gluur ik naar het kleine stukje dat open is en waar ik zou kunnen en moeten schieten, als dat varken... De buks heeft een perfecte uitgangshouding, maar ik niet helemaal. Geleidelijk krijg ik wat prikkels in mijn been de voorbode van een beginnende kramp. Zal ik gaan verzitten? Maar nog voor ik die gedachte in een actie heb omgezet…
Dan zie ik een zwarte vlek in de bosschages. Is het geluk of vakmanschap dat ik geprepareerd ben? Het varken komt langzaam omhoog gelopen en zal al snel de pakweg op de laatste 10 meter zijn die hem van de tunnelingang scheiden.
Dan is hij er. Recht op zijn doel af, de tunnel in de meidoorns. De rode punt van mijn kijker zoekt het blad. Zwaait rustig mee, houdt een klein beetje voor. Mijn vinger kromt zich en het varken… Het varken verdwijnt met een luide gil in de meidoorns.
Ik maak mij geen zorgen over het resultaat van het schot, maar wel over die dichte bijna ondoordringbare struiken waar de keiler in is verdwenen. En het is niet alleen die ondoordringbaarheid, maar ook het feit dat het altijd een linke zaak is. Want het zoeken van een aangeschoten keiler in de dichte dekking is niet zonder risico.
Mijn telefoon trilt, de Jachtopzichter meldt zich. Hij heeft mijn schot niet gehoord, maar belt met de vraag of hij bij ons in het hotel mee kan ontbijten. Dat is geen punt, natuurlijk. Maar als ik hem vertel over mijn keiler, is hij direct naar mij op weg. Mijn maten stel ik per whatsapp op de hoogte.
Ik heb mijn spulletjes nauwelijks ingepakt, of de jachtopzichter staat onderaan mijn ladder. Samen lopen we naar de meidoorns. “Hier habe ich ihn erschossen und dort ist er in den Weißdornbüschen verschwunden”. Een spoor van zweet onderstreept mijn woorden. Hij bedenkt zich geen moment en hij baant zich een weg door de dekking, ondanks dat hij -niet lang daarvoor- een levensgevaarlijke situatie met de nazoek van een aangeschoten keiler had beleefd.
Even overweeg ik achter hem aan te gaan, maar dan besluit ik om niet mijn hart te volgen, maar mijn hoofd te gebruiken. En als er iets misgaat dan kan ik beter zijn stand-by zijn. Het duurt echter niet lang; dan hoor ik “Waidmannsheil!”. Hij roept dat hij de keiler de heuvel af uit de dekking zal slepen. Snel loop ik om de dekking heen, een stukje de helling af.
Samen slepen we vandaar het varken verder de heuvel af, in de richting van een pad dat daar loopt. Onze jachtmaten vragen we daar naartoe te komen, zodat we de keiler naar de koeling zullen verplaatsen, waar hij ook ontweid kan worden.
Terwijl we staan te wachten op de transportassistentie, hebben we tijd genoeg om een ‘statiefoto’ te maken van een oude en een jongvolwassen keiler. Ik ben met het afschot zeer in mijn nopjes. Want alles moet voor zo’n schot maar net passen en vanmorgen paste alles precies.

De Jachtopzichter heeft een Jagdbittertje bij zich en samen nemen we alvast een voorschot op wat ons op de Strecke nog te wachten staat. En omdat het -voor ons gevoel- nogal lang duurt eer onze jachtmaten arriveren nemen we er nog maar eentje.
We willen de keiler nog wat lager naar de weg slepen, als we het opeens zien:
de neusbrug van het varken is beschadigd.

Dan arriveren de jachtmaten. Eerst even bijpraten, hoe ik slimmer was dan het slimme varken. Reactie van mijn maten: ‘varken boven varken’, van je vrienden moet je het maar hebben. En zij doen verslag van hun belevenissen vannacht. Iedereen heeft in de loop van de nacht wild gezien en er is nóg een vos geschoten. Dat brengt het aandeel van ons veld voor het tableau dus op drie. En daarmee slaan we straks geen slecht figuur, zo schatten we in. En F. heeft toen hij net als ik al aan opbreken dacht, nog een mooie kans op een geit verzilverd. Het zijn dus een geit, een keiler en drie vossen als resultaat van één aanzit; er zijn dagen dat we het voor minder doen.
Als we het varken op de wilddrager willen tillen denk ik weer aan die beschadigde neusbrug. Bij bestudering is de wond ernstiger dan ik eerst dacht. Het neusbeen is al bloot en het lijkt erop dat een ontsteking naar binnen is geslagen.

De sfeer op het ‘Strecke legen’ is, zoals altijd prima. Niet in de laatste plaats door de omvang van het tableau. Er zijn in de acht velden van de Hegering 18 vossen geschoten (je weet dus direct welk veld de moeite heeft genomen om wat aan de voorbereiding te doen), welke allemaal op de uitgespreide sparrentakken liggen. Het in de diverse velden geschoten roodwild, reewild en zwartwild komen niet op het tableau in verband met mogelijke besmetting van het vlees.
We brengen mijn keiler naar de slager, die altijd daar mijn wild slacht en portioneert. Een volgende keer neem ik het vlees dan ingevroren mee naar Duitsland.
Bijna naast de slager woont een preparateur met grote ervaring. Hij komt even langs om te kijken en de tanden voor preparatie mee te nemen. Zijn (deskundige) conclusie is over duidelijk. Ik heb het dier veel leed bespaart, want zodra de temperaturen gaan oplopen zal deze verwonding al snel een etterende wond worden, zegt hij. “Wirklich ein Hegeschuβ, Theo. Ein kräftiges Waidmannsheil!”
Zo leerde ik toen dus dat je een Hegeschuβ niet alleen bewust, maar ook onbewust kan afgeven.
©TheoM

