Mijn Sikahert
Gepubliceerd: , in Jachtverhalen
De jacht op Sikawild is een uitdaging, waarvoor Nederlandse jagers meestal in het buitenland moeten zijn. In de landen in Oost-Europa kunnen ze natuurlijk wel terecht, maar Ierland is voor deze wildsoort “het jagers Mekka”. Ze komen daar al bijna 200 jaar in massale aantallen voor, na de introductie van één hert en drie hindes. Kennelijk zijn ze inteelt resistent.
Het Sikawild is in Nederland nauwelijks gekend, hoewel ze toch op enkele plekken voorkomen. Bijvoorbeeld in Noord-Holland, Noord-Brabant en Overijssel, zo las ik op de site van de ‘Vereniging het Edelhert’. En omdat ik van de FBE in Noord-Holland begreep dat er in 2023 zes stuks waren geschoten. Je kan er dus gevoeglijk vanuit gaan dat er daar veel meer in dat 0-gebied rondlopen, want hoewel ze dagactief zijn, is het niet eenvoudig om ze te spotten, laat staan te bejagen. Hun gedrag vertoont veel overeenkomsten met het heimelijke reewild, maar hun gedrag is nog veel geheimzinniger.
In de zomer hebben ze qua uiterlijk veel weg van damherten, maar dat verandert daarna snel, om in de bronst een donkerbruine dos, op het zwarte af, te hebben, met prachtige donkere bronstmanen.
Vanuit een hoogzit is het maar afwachten en hopen, dat ze zich laten zien. Het meeste kans heb je door te bersen, maar dan moet je die jachtvorm wel beheersen, anders resulteert het meestal in een gewapende wandeling. De kans dat je ze namelijk ‘overloopt’ is erg groot, het zijn meesters in het gebruikmaken van alle mogelijkheden die de dekking ze biedt.
Het is alweer jaren geleden dat ik tijdens een vakantie in Schotland in de gelegenheid werd gesteld om een Sikahert te schieten. Dat lukte niet, maar ik werd toen wel met het sikavirus besmet.
Het zaadje om eens een Sikahert te willen schieten is toen dus die gezaaid. Ook omdat het mij toen in die drie weken steeds maar weer niet lukte. Aan het eind van die vakantie bood de stalker aan om nog eens samen met mij een poging te wagen. Ik, beter gezegd de stalker, deed zijn best, maar het lukte maar niet, totdat ik eindelijk een 100% kans kreeg, die ik verprutste. Ook in de jaren erna deed ik af en toe een poging op een Sikahert, die telkens wel voor mooie jachtmomenten zorgden, maar niet in afschot van een hert resulteerden.
Toen ik dit jaar voor mijn vertrek naar Schotland mij liet ontvallen dat ik dit keer weer en nu echt van plan was een Sikahert te schieten, kreeg ik -niet ten onrechte- vragen over mijn voornemen.
“Maar jij bent toch niet van de trofeeënjacht, en dan ga je het opnieuw proberen, daar in Schotland”? Het klopt, allebei. Ik ben van de Jacht, van Het Jagen. En ja, soms resulteert dat Jagen in een trofee, niet als doel, maar als tastbare herinnering. En toch leek het bijna een obsessie te worden, mijn Sikahert dat ik almaar niet kon schieten.
Al jarenlang ben ik voor de roodwildjacht te gast op een grote, particuliere Estate in Schotland. Geheel volgens mijn insteek -het gaat om het jagen en niet persé om de trofee- schoot ik daar herten, maar des temeer kaalwild. De jacht op de kalen is eigenlijk nog intenser dan die op de herten. In de bronsttijd zijn de herten namelijk geobsedeerd door hun belangrijkste hobby in die periode. Als ze dan je positie meekrijgen komt dat meestal omdat de hindes, altijd alert -ook in de bronst, je aanwezigheid hebben verraden. Maar buiten de bronst zijn de hinderoedels van een 30 stuks natuurlijk ook 60 ogen die voortdurende omgeving scannen. Daarvoor hebben ze ook alle tijd want ze worden dan niet meer lastiggevallen door de mannen.
Dit jaar moest en zou het er dus van komen: mijn Sikahert. En niet alleen omdat het zo langzamerhand weleens tijd werd, maar ook en vooral omdat het aantal Sika’s almaar in aantal blijven stijgen, ondanks dat ze tamelijk fanatiek bejaagd worden. In Zuid-Schotland zijn ze hier en daar al bijna een plaag, maar in het hoge noorden valt het nog wel mee. Maar ze willen de stand daar ook onder controle houden. Want in de ingerasterde nieuwe aanplant doen ze veel schade want net als reewild zijn het echte ‘insluipers’.
Maar er is nog een reden: ze mixen met het roodwild. Zo’n hybride is gewoon vruchtbaar en kweekt verder. Dat wil men voorkomen. Maar ik las ook al ergens dat plaatselijk tot 40 % van het genetisch materiaal van de edelherten inmiddels van Sika’s afkomstig zou zijn, veel meer dan men ooit had verwacht. Mogelijk is dat vooral in de bosrijke gebieden meer dan hier op de kale Schotse heuvels, maar hoe dan ook, ook daar men ziet ze als exoot en bestrijdt ze.
De bronst van de Sika’s begint wat eerder dan die van het roodwild, dus al vanaf de eerste dagen van ons verblijf was ik regelmatig op pad met de zoon van de stalker. In de week voor mijn komst had hij er al vijf kunnen schieten. Tja, het zijn immers exoten en een kans is een kans, dan wachten ze niet op mij… Maar ik hoefde mij geen zorgen te maken, want bij het lichtbakken op de vos, hadden ze er nog genoeg gezien, kreeg ik te horen.
In een stuk nieuw en inmiddels ingerasterd bos liep er sowieso een, een zware achtender. Twee avonden zat ik erop aan, maar ik kon fluiten wat ik wilde. We kregen geen Sika te zien. Dat wil zeggen geen hert; wel de eerste avond een hinde met een kalf, “waar een hinde is, daar is vast en zeker ook een hert” maar dan in het Engels natuurlijk. Reden om het daar nog een tweede keer te proberen. Ook die avond zagen we niets, wel hoorde ik die avond het eerste edelhert burlen.

Heel langzaam begon het idee bij mij te groeien dat ik misschien wel nooit een hert zou kunnen schieten. Wat wij ook op meerdere plekken probeerden, ik kreeg geen kans.
We zagen ze wel, maar op te grote afstand. Of toen we ze vechtend met elkaar bezig zagen. En dat gaat er heftig aan toe, heftiger dan bij de edelherten. En één keer dacht ik met zekerheid: dit wordt mijn kans.
We kregen hem de bosschages uit gefloten, statig over zag hij de heide tussen ons in. Toen kwam hij, net zo statig, recht op ons toegelopen. Om opeens stil te staan, in alle richtingen te zekeren en toen rechtsaf te slaan, op weg naar een bosje daar. Verwaaiing van ons was niet aan de orde, ik vermoed dat er in dat bosje een hinde liep, die verleidelijker was dan het gefluit van ons.
Zo gingen de dagen voorbij. Elke avond op pad tot donker, om vervolgens naar de top van een heuvel te rijden om daar te wachten op het noorderlicht. Dat is niet alleen prachtig om te zien, maar ook altijd weer een ongelooflijke bijna mythische ervaring. En ik leerde toen dat je door te kijken via de camera van je telefoon dat licht eerder èn beter ziet.
Het eind van mijn verblijf naderde. Daarom werd het tijd om ons geluk op een andere plek te beproeven, zei de stalker, die ook besloot met ons mee te gaan. Bij een boerderij, zo’n 30 kilometer zuidelijker. Het hoorde niet bij de Estate waar hij werkzaam is, maar hij heeft daar privé de jacht. In het begin van de avond reden we ons ‘parkoers’ eerst een keertje rond. Ook nog weinig bos, maar wel overal wat solitaire bomen en groepjes struiken, op een smal stuk bos na.
En daar wilde de stalker eerst nog even kijken, want hij had gehoord dat er een hoogzit was geplaatst. En dat zou eigenlijk niet kunnen, want dat stuk bos was aan niemand verhuurd. Elk land heeft zijn eigen eigenaardigheden en ik hoorde deze Schotse. Om te ontkomen aan erfbelasting kopen gefortuneerden bos, dat geeft daarvoor vrijstelling.
Vroeger -back in the day zeggen ze hier- waren dat de grootgrondbezitters, maar die zorgden er dan ook voor; bosvernieuwing, het inrasteren van nieuwe aanplant, stroperijtoezicht en een verstandig faunabeheer. Nu hebben ‘nieuwe rijken’ deze belastingvluchtroute ook ontdekt. En bossen worden verkaveld in kleinere eigendommen, maar daarna: er gebeurt niets meer. Niet aan de flora, niet aan de fauna. Dat zijn de plekken waar de stand van de Sika’s de kans krijgt om onbeheerd te groeien. De omgeving doet wat het kan om de stand te beperken, maar het is een schier onmogelijke taak. De overeenkomst met TBO’s en boeren dringt zich op als het gaat om het ‘ganzenprobleem’ in Nederland.
Er staat een auto geparkeerd op het bospad waar de hoogzit zou staan en de stalker besluit daar dan later nog wel eens te gaan kijken. Wel belt hij zijn collega, die de gamekeeper op een naburige Estate is, om hem te informeren. Maar wat blijkt: die heeft een Duitse gast op bezoek, die niet erg mee kan komen tijdens het stalken. En hij heeft voor die gast daar dat een laddertje geplaats. Dat daar niet door de eigenaren gejaagd wordt, deert hem niet. Het doel heiligt de middelen en ‘de overheid wil toch dat we ze reduceren’? Wat ‘mijn’ stalker daarvan vindt, laat die in het midden.
We lopen over grasland naar een heuvel, daar sluipen we een stuk, het laatste stuk kruipen we en het allerlaatste stuk tijgeren we. Gewoonlijk lig je bij het stalken aan een zijkant van de top van een heuvel. Dat voorkomt dat je hoofd er als een (bewegende) vuurtoren bovenuit steekt. Maar we moeten nu wel bovenop liggen. Als het hert op het fluiten reageert weet je immers niet waar hij vandaan komt en moet je naar alle kanten vóór je een schot kunnen lossen.
Voor mij is nog een 200 meter gras en dan begint er rechts een smalle strook van bosschages, die naar links geleidelijk steeds dikker wordt en uiteindelijk in een bos overgaat. Na onze installatie nemen we eerst de tijd voordat we met het fluiten gaan beginnen.
Kreun. De stalker waarschuwt mij daarmee, want hij heeft al gezien wat ik pas daarna zal zien. Er loopt een hinde met een kalf dicht tegen de bosschages aan. Heel rustig trekken ze naar links door en verdwijnen daar uiteindelijk in het bos. De stalker fluistert: ‘“waar een hinde is, daar is vast en zeker ook een hert” maar dan in het Engels natuurlijk. Dat heb ik deze dagen al eerder gehoord, denk ik.
Hij pakt zijn fluit <call> en fluit. Het ‘fiepen’ op Sika’s lijkt nog het meeste op een extreme harde en lange pia. Er komt geen reactie, even wachten en dan nog een keer: pi-aaaaaaa. Een paar minuten later laat de hinde links zich in de bosrand nog een keer zien om kort daarna weer in het bos te verdwijnen.
De hand van de stalker gaat weer naar zijn fluit, maar als hij midden in die handeling lijkt te bevriezen volg ik zijn blik en zie een donkere vlek in de bosschages. Voorzichtig breng ik de kijker naar mijn ogen. Het is een Sika, een hert, een mooie, bijna zwarte, achtender. Zal dit hem dan worden?
De stalker doet zijn uiterste test, blaast bijna de longen uit zijn lijf, maar het hert blijft in de bosschages. Langzaam loopt hij naar links. Het lijkt wel alsof hij over het pad van de hinde en het kalf loopt. Van tijd tot tijd staat hij stil, snoept wat van een boom en kuiert dan weer verder.
Ik schuif wat op en draai wat bij zodat, als hij toch wil komen, ik in een goede positie lig. Als de stalker fluit, zie je het hert wel in onze richting kijken, maar hij komt niet, nog niet. Maar dit zou mijn kans kunnen worden, denk ik, want hij hoeft maar iets uit te treden. De afstand is groot, maar goed te doen. Zeker liggend met de buks stabiel op de ipod; een kleine een kans is genoeg.
Dan zet het hert het opeens op een lopen, dieper het bos in, precies daar waar we de hinde en het kalf voor het laatst gezien hebben. Tja, wat nu? Blijven liggen en het na een poosje nog eens proberen of zullen we verkassen? Ik kom niet aan het beantwoorden toe, want in het bos klinkt een schot.
Wat ik niet door had, was dat het bos links van ons, deel was van het bos waar we eerder naar de hoogzit wilden kijken. We lopen terug naar de auto en de stalker belt zijn collega. En ja hoor, het was de Duitser die een hert, mogelijk ‘mijn’ hert had geschoten. Een Duitser vanaf een laddertje, niks geen stalking, dus ik kon erop wachten, ‘those lazy fat Germans’ briest de stalker. Ja, ze moeten daar weinig hebben van de aanzichtjacht en velen ook niet van Duitsers.
We rijden rond maar zien niets. Stappen af en toe uit, lopen de dekking in en fluiten daar, allemaal lauloene. We geven het op, het wordt niets vanavond, weer niet… Maar als we in de auto willen stappen, pakt de stalker opeens mijn arm. Hij kijkt strak naar een hek, dat de schapen daar in de wei moet houden. Voor het hek is wat opslag van ruigt waar de schapen niet bij konden.
Dan zie ik hem; een beetje weggedrukt zekert hij naar ons. Automatisch strekt mijn arm zich uit naar de buks. Maar de stalker stopt mijn beweging. “Het is een spitsertje, Theo, een schot zou mooi zijn in het kader van reductie. Maar voor zoiets ben je hier niet gekomen. We gunnen jou een ‘royal’, deze ruimen we zelf wel op”.
Lekker is dat, want de achtender die we zagen kon ik niet schieten, die werd het slachtoffer van Duitse beschietingen. En de spitser die zich hier, vlak voor mij, nog steeds wegdrukt en naar ons kijkt, mag ik niet schieten. Met zijn “next time when you are over, Theo”, heb ik nog steeds geen trofee, maar wel, net zoals alle voorgaande keren, iets om naar uit te kijken.
We zitten nog op de boot als de stalker mij een fotootje appt. Het is een beetje een zoekplaatje, dus zette ik er een pijtje bij. Lekker is dat, ik heb nog maar net mijn hielen gelicht en hij spot er een, gewoon overdag, langs de weg.

Maar het kan nog erger want de volgende dag ben ik weer thuis en ’s avonds krijg ik alweer een fotootje.
Het zal toch niet, denk ik, maar ja hoor. Op weg naar huis, zag de zoon kort voor donker, hem ook lopen. En hij heeft altijd zijn buks bij zich. Stukje doorgereden, auto uit en snel om een bosje heen gelopen en het hert daar opgewacht. Zo simpel kan het zijn, het schieten van een Sikahert. Het is een mooie achtender.

Ik gun het zijn zoon, absoluut, maar denk: die had ook voor mij kunnen zijn…
©TheoM