Stroperijmuseum

Gepubliceerd: , in Jachtverhalen
“Zou je dat wel doen?”, vroeg de baas van dejacht.nl-site aan mij, toen ik hem wat van mijn verhaaltjes liet lezen over oude stroperijmethoden, “het moet geen handleidingstroperij worden”.
Daar heeft hij natuurlijk gelijk in, maar ja, weten hoe er vroeger gestroopt werd is een uitstervende wetenschap, dus die verhaaltjes bewaar ik nog maar even. Je weet nooit en wat op de plank ligt, verzuurt immers niet.

Maar wil je daar meer over wil weten omdat het nieuw voor je is of misschien nog eens willen bekijken waarmee je je vroeger onledig hield… het is weer te bezoeken: ‘Het Stroperijmuseum’ van Cees van Geel, inmiddels in een nieuwe omgeving, maar wel weer op de Veluwe.

Jachttoezicht en stroperijmuseum

Cees was bijna zijn hele leven jachtopzichter, hij verhaalde er over in zijn boek “Jachttoezicht en stroperijbestrijding”, inmiddels uitverkocht, eerst in Noord-Holland, toen in het Rivierengebied, daarna bijna een mensenleven op “De Utrecht” in Brabant. Na zijn pensionering daar is hij nog een aantal jaren jachtopzichter op de Veluwe geweest en nu beheert hij het landgoed van de SBNL in Doornspijk, waar nu ook zijn museum een onderkomen gevonden heeft.



Kortom Cees van Geel is een man die je qua jacht en stroperijbestrijding niets kan wijs maken. Maar het aardige is dat hij dat jou wel kan. En als hij er echt zin in heeft, dat rolt de ene anekdote naar de andere over tafel, met Cees werd de kachel niet aangemaakt door stropers. Maar ook niet door edelen en hoogmogenden, hij zag ze bijna allemaal gaan en komen. Evenals de veranderende opvattingen over de jacht en daardoor ook de opvatting over de functie van jachtopzichter.

In zijn “Koninklijke kast” ligt een boek (1923), waaruit de waardering blijkt voor de jachtopzichter. En waarom die kast zo heet, laat zich raden. Maar ook de jachtresultaten van o.a. Bernard en van Claus (een excellente schutter) kan je er in zien.

Indrukwekkend is zijn verzameling vallen en klemmen, ruim 500 stuks zijn er te bewonderen. Elk dorp had ooit zijn eigen smid, die vaak zijn eigen versie maakte; ingenieus werd daar soms een geheel eigen toepassing bedacht om als vangmiddel te kunnen dienen.

En over het vak van jachtopzichter, het beheer van een veld, kennis van het wild, het tegengaan van stroperij , alles wat daar bij komt kijken, valt nog steeds te vertellen en te leren. Cees was tot voor kort jarenlang docent bij de reewildcursus, redactielid van het blad van de vereniging van jachtopzichters en voorlichter namens deze vereniging en onlangs is hij gastdocent bij de opleiding van groene BOA’s geworden.

De passie voor zijn vak straalt van hem af als hij je rondleidt langs de inbeslaggenomen vangmiddelen, mooie verhalen krijg je als hij stilstaat bij het gebruik van de halsvanger, de guillotine, de middelen voor de plevierenjacht, de boobytrap voor varkens en nog veel meer.



Vanzelfsprekend komt ook zijn betrokkenheid bij het werk van de Veldpolitie, de zogenaamde Vliegende Brigades, aan de orde. De fiets van zijn vader, waarmee die op stropersjacht ging, voorzien van een belastingplaatje, zonder gat (ja, google dit fenomeen maar eens), waardoor er ook op zondag op stropers gejaagd kon worden,

De serie uniformen van jachtopzichters, vanaf het oude manchester uniform bezit hij een grote historische collectie; de oude wetboeken; oude diploma’s, politiepenningen, krantenartikelen, kortom er is voor de liefhebber van alles te zien wat de moeite waard is.



De clandestiene eendenkooi ( waar tot wel 350 eenden per week werden gevangen), ingenieus aangelegd in de grienden, toch ontdekt in een tijd dat er nog geen drones waren, simpel en alleen door de ogen en oren open te houden, contacten te onderhouden in het veld en niet bang zijn om in te grijpen als dat moest. Meestal kon bij dat ingrijpen volstaan worden met een gesprek, maar ook aan gepast geweld ontkom je niet in al die jaren, voorbeelden te over in het museum. “Met woorden als het kon, met andere middelen als het moest”, aldus Cees.



Een van de hoogtepunten van tentoongestelde materialen vindt Cees zelf zijn ‘rattenklooster’, waarvan er nog maar 2 of 3 in Nederland zouden zijn. Wat dat is? Daar moet je zelf maar eens de reis naar Doornspijk voor ondernemen.

Voor de echt geïnteresseerden opent Cees graag de deuren van zijn museum, maar uitsluitend op afspraak.
Ik was blij met mijn prive-rondleiding. Bedankt daarvoor Cees.

©TheoM


één moment...