Buiten wonen, de lusten èn de lasten

Gepubliceerd: , in Jachtverhalen
Ik woon in een mooi dorp. En dat vinden meer mensen. Er worden daar steeds meer huizen in het buitengebied gebouwd en bestaande woningen worden door vermogende Nederlanders en expats opgekocht om vervolgens grondig te worden verbouwd en uitgebreid.

‘Een hek erom’

Maar wat bijna altijd gebeurd is, soms zelfs nog voordat de (ver)bouw(ing) klaar is, is het plaatsen van een hek. De drang om buiten te willen wonen is groot, maar de kennelijk is de gevoelde nood om daar dan rest van de wereld buiten te sluiten groter.

Zo versnippert het buitengebied meer en meer, het land wordt opgeknipt in postzegeltjes, waar het voor de fauna steeds moeilijker wordt om te migreren en te overleven.



Veel van die hekwerken hebben met name voor het reewild desastreuze gevolgen. 
Op de site van de FBE staat daar zelfs een collage van. De dieren zijn vaak een vreselijke dood gestorven.
En de werkelijkheid ziet er vaak nog erger uit, vraag het de leden van de valwildteams maar.

De wethouder, met dit leed geconfronteerd, was geschokt. En zij kondigde maatregelen aan. Zij zou er voor zorgen dat hekwerken waarin het reewild zich kon vastlopen zouden worden verboden. Mooi, hè? Maar het laat zich raden: nooit meer iets van gehoord.

En de eigenaren van die hekken? Nou het moet gezegd, sommigen nemen maatregelen, waardoor het reewild er niet meer door kan. Maar dat geldt niet voor allen. Sommigen bellen wel de politie om het ree te redden of dood te laten afvoeren. Maar eenmaal uit hun zicht, bestaat het probleem niet meer, onverschilligheid troef.

Ik zei het al, ik woon in een mooi dorp. Een dorp met nogal wat dorpsjagers. Tja, en daar komen die nieuwkomers ook achter als zij zich hier metterwoon gevestigd hebben.

‘Wat, jagen? Hier?’

Opeens worden dan de dorpsjagers verwensingen naar het hoofd geslingerd. De mores die in de stad gelden lijken dan door sommigen te worden verplaatst naar het platteland. Sommige nieuwkomers laten dan luidkeels van zich horen. Het “moordenaar’ is dan slechts een milde kwalificatie. En als de politie het valwildteam naar een spoedgeval stuurt, een zwaar gewond aangereden ree, dan kan zo’n vrijwilliger niet altijd op applaus reken. 

Sterker nog, de vader van een kind dat over de toeren is van het zien van het zwaar gewonde dier gaat niet in op de suggestie om zijn dochter weg te voeren van onaangename gebeuren. Want daar heeft de valwildman immers  ‘niets mee te maken’. Wel wil de vader van hem weten wat er nu gaat gebeuren. Na het antwoord, dat het arme dier zal worden geëuthanaseerd, draait de man helemaal door. Met schuim op zijn mond verklaart hij dat ‘als dat gebeurt, hij de vrijwilliger zal afsteken’.

De politie arriveert, de boel wordt gesust en eindelijk kan het arme dier na grote vertraging uit zijn lijden worden verlost. Maar het doen van aangifte naar aanleiding van deze bedreiging zou geen zin hebben…

En toch moet het mogelijk zijn om nieuwkomers duidelijk te maken dat zij zich bij hun vestiging op het platteland moeite zouden moeten doen om zich aan te passen aan de regels en gebruiken daar. In plaats van er voetstoots vanuit te gaan dat ook daar, vanaf nu, hun mores zouden moeten gelden.

In mijn favoriete land Frankrijk komt het verschijnsel van nieuwe bewoners in dorpen natuurlijk ook voor. Maar de Burgemeester van een dorp in de buurt van Nantes had geen zin in al dat geklaag . Hij liet daarom een waarschuwingsbord plaatsen bij de ingangen van het dorp.



 “Attentie, Frans dorp.

U gaat op eigen risico en verantwoording een plattelands omgeving binnen.
  • Hier hebben we een kerkklok die luidt. 
  • Hanen die kraaien. 
  • Heel veel levende dieren.
  • Jagers en hun honden
  • Zelfs boeren en akkerbouwers die werken voor uw voedsel.
Als u dat niet kan verdragen, dan bent u hier niet op de juiste plek.
En anders bent u welkom bij ons, waar het leven goed is”.

Wellicht had het lokaal invloed, maar toch ging het maar door, het geklaag bleek een ware, nationale plaag.
Voorbeelden te over, zoals de haan Maurice, die op het eiland Oléron kraaide, waarop het zelfs tot een rechtszaak kwam. Gezond verstand zegevierde, de haan won.
In de Provence werd geklaagd over de cicaden, hun zang zou volgens de klagers te luid zijn. In diezelfde regio moest een burgemeester zelfs weigeren om de krekels te doden nadat sommige bewoners hadden geklaagd over het veel te luide gesjirp.
Maar toen gendarmes naar het huis van de 92-jarige Colette Ferry in de Savoie kwamen om drie brulkikkers uit haar tuinvijver te halen na klachten van buren, was de maat vol.
Niet in de laatste plaats om dat het justitiële systeem omkwam in het werk dat het afhandelen van al die klachten met zich mee bracht. Volgens de minister van Justitie was het “onwerkelijk dat de rechtbanken verdrinken in dossiers over luidruchtige koeien”.

Er kwam een Wet

Die wet beschermt de typische geluiden, geuren en gebruiken van het Franse platteland. Het luiden van de kerklokken, het gebrom van de tractor en de stank van de mestbelt, het hoort allemaal er allemaal bij. 
Het is het ‘patrimoine sensoriel des campagnes’, mooie taal dat Frans:  het zintuigelijke erfgoed van het platteland. 
Die wet is er om het plattelandsleven te beschermen tegen de klachten van vakantiegangers en stedelingen met een tweede huis.

Iedereen die overweegt naar het Franse platteland te verhuizen maar niet gewekt wil worden door kraaiende hanen, loeiende koeien of ronkende tractoren, luidende kerkklokken, of wil klagen over de stank van een mestvaalt kan nu niet meer bij de rechtbank terecht. 

Het is allemaal vastgelegd in een Franse wet die buurtconflicten moet bestrijden. "Dit is geen vrijgeleide voor alle buurtverstoringen, maar een maatregel van gezond verstand", sprak in het parlement Nicole Le Peih, een soort Franse versie van Caroline van de Plas, die het startsein gaf voor de wettekst.

Ik zeg: een studiereis voor onze parlementariërs naar Frankrijk en dan snel overnemen die wet. Niet wachten op de regering, maak zelf een initiatiefwet. Het kan en het (platte)land verdient het.

©TheoM
één moment...