“Ik denk niet dat ik er morgenvroeg uit ga,” zeg ik, “ik voel aan mijn lijf dat we gewerkt hebben, ik heb genoeg op, morgen, tussen de middag, ga ik wel voor die oude rakker in het dal achter het kapelletje”. Ja, als ik mijn zwakheid toon, dan durven mijn maten dat ook wel; die zullen ook wel zien wat ze morgen na het ontbijt gaan doen, eerst maar eens wat uitslapen.
We kijken naar de jongeling en zien hem twijfelen, dus daar komt weer een tegeltje: “ ’s avonds een vent, ’s morgens een vent”. Hij kan niet anders dan zeggen dat hij er wel uitgaat. “Weet je het wel zeker, je moet er dan om 04.00 uur uit. Dat betekent dat je maar drie uurtjes slaap hebt”.
Hij laat zich niet kennen en de tegeltjes lijken besmettelijk: “Nee, ik ga; wie A zegt moet B zeggen”.
Zijn auto staat er nog, de volgende ochtend, dus we keren zijn bed maar even om. “Oooh,” kreunt hij, “ik lag zo lekker in mijn bedje, dat ik…”.
Het tegeltje?
“Een mooie meid en een lekker bed heeft menige bok het leven gered”.
©TheoM

